De mens is ‘gedomesticeerd’ tot een brave consument, stelt dit onheilspellende boek

De mens is ‘gedomesticeerd’ tot een brave consument, stelt dit onheilspellende boek

mei 23, 2020 0 Door admin

Wat stelt filosofie nog voor in het zicht van de wetenschap? Sommige denkers zagen in het corona- virus al snel een correctie van de natuur of zelfs iets waar ze hoop uit konden putten. Maar in de harde wetenschap is zoiets onzin. Een virus wil helemaal niets, behalve overleven en zich repliceren volgens blinde natuurwetten – net als wij.

Oog in oog met zo’n kille wetenschappelijke wereldbeschouwing rijden filosofen vaak zo snel mogelijk de vluchtstrook op naar de subjectieve menselijke Lebenswelt of naar esthetica en ethiek – daarin toont zich dat wij tóch meer zijn.

Zo niet de filosoof Wouter Oudemans (1951). In Moeder Natuur beschrijft deze contraire denker ‘de plaats van de mens in de kosmos’. Dat mag klinken als katholieke metafysica uit de jaren vijftig, het is het tegendeel: Oudemans beroept zich op moderne biologie en fysica.

In de natuur wordt alles bepaald door darwinistische strijd om overleving en door de eerste (behoud van energie) en tweede (entropie, wanorde) wet van de thermodynamica. Dat geldt ook voor mensen en hun samenlevingen, ook die zijn energetische ‘circulatiesystemen’.

Jagers en verzamelaars

De natuur heeft daar geen bedoelingen mee. Moeder Natuur is onverschillig over het lot van haar kinderen. De metafoor in de titel is dan ook ironisch, want dit is eerder een onmenselijk boek, dat elk sentimenteel cliché wil ontkrachten. Alles strijdt om energie en alles valt ten prooi aan entropie. Er is geen vooruitgang, alleen ‘een uitwaaierende reeks explosies waaruit voortdurend vuurpijlen opspuiten die daarna op de grond te pletter slaan en uitdoven, terwijl het vuurwerk doorgaat.’ De mens is ook maar ‘een slurper van energie, die een zee van afval achter zich aan sleept’. Een luchtbelletje in een doelloos spel van de natuur – dat voor elk belletje helaas een keer ophoudt, als het knapt. Oudemans is daar niet triomfantelijk over, eerder melancholiek. Wat valt er dan nog te denken?

Daarmee voegt Oudemans een onverbiddelijke titel toe aan de reeks die hij begon met het hallucinante Echte Filosofie (2007) en eigenlijk al met zijn proefschrift De verdeelde mens (1980). Hij breekt daarin radicaal met het moderne humanisme, onder invloed van de even beruchte als beroemde Duitse denker Heidegger, van Darwin (die alleen in Oudemans’ ogen zelf nog niet darwinistisch genoeg was) en van de thermodynamica. Die wetenschappelijke revoluties zijn allemaal grote ‘reducties’, die afrekenen met het idee dat mensen boven de natuur staan.

In dit boek werkt hij dat uit in hoofdstukken over het heelal, energetische systemen, prehistorische tekeningen, jagers en verzamelaars (die niet de nobele kindmensen van Rousseau of Rutger Bregman blijken) en moderne filosofie. Allemaal goed te lezen, want dit is ook Oudemans’ meest toegankelijke werk tot nu toe, met kleurige grafieken en plaatjes, inclusief een wrang-zielige tekening van een zieke hond. Wat je er verder ook van vindt, het boek is in elk geval een werkzaam serum tegen de sentimentele natuurverering, die de laatste tijd door corona-moralisten weer driftig wordt uitgevent.

Guerilla op de universiteit

Nu is Oudemans altijd een buitenbeentje geweest in de Nederlandse filosofie, die meer zou hebben van ‘filosofologie’ (een denigrerende term van Harry Mulisch) dan van echt nadenken. Sinds zijn vertrek als hoogleraar uit Leiden, waar hij een bureaucratische guerrilla voerde tegen het universitaire bestuur, heeft hij zich gestort op zijn Groningse landgoed, compleet met arboretum, replica’s van dinosaurussen en een miniatuurpark.

Met die contraire houding doet Oudemans, die allesbehalve links is, ironisch genoeg denken aan de subversieve intellectueel uit The Undercommons (2013) van Stefano Harney en Fred Moten, een cultboek voor sommige linkse academici. Die is eerder een dienstweigeraar dan een hemelbestormer, onprofessioneel en oncollegiaal, volgens zijn omgeving ten prooi aan gekte en nonsens. Alleen is dat linkse type romantisch over het sociale leven dat onder de bestaande orde woekert. Oudemans is dan eerder de ónromantische versie van zo’n intellectueel. Hij lijkt meer op de ‘anarch’ van de Duitse soldaat-romancier Ernst Jünger, een soeverein individu dat binnen de orde altijd een innerlijk voorbehoud maakt.

Hard-rechts

De overeenkomst met Jünger is geen toeval. In Moeder Natuur schuilt een hard-rechts anti-humanisme, getekend door weemoed en sarcasme tegelijk. Met echo’s van Nietzsche (die de mensheid ‘een onverenigbare veelheid van stijgende en dalende levensprocessen’ noemde) en van Schopenhauers blinde, irrationele Wil die de hele werkelijkheid beheerst. Oudemans’ doelloze spel van de natuur herinnert in de verte zelfs aan de eeuwige kosmische dans van Shiva uit de Indiase filosofie, waar Schopenhauer in zijn werk uit putte. Zij het dat bij Oudemans geen verlossing of nirvana mogelijk is, hooguit een tragikomische gelatenheid.

Tegen het slot neemt dit toch al weinig zachtzinnige boek een sinistere wending. In een lange mijmering over Europa past Oudemans zijn darwinisme toe op de moderne tijd en wereldwijde migratie. Die laatste is een probleem, want zoals organismen overleven door hun membraan, de biologische grens met anderen, zo kan een volk zijn identiteit alleen behouden ‘als onderscheid en ook als vijandschap met buurvolkeren’. Hier klinkt weer een Duitse bron: de omstreden conservatieve jurist Carl Schmitt, volgens wie het onderscheid tussen vriend en vijand fundamenteel is voor elke politiek.

Het grimmige boek is een serum tegen sentimentele verering van de natuur

Brave consument

Sinds de Verlichting is dat tragische besef volgens Oudemans gesmoord in een gewelddadig humanisme dat de mens heeft ‘gedomesticeerd’ tot een brave consument die zich hooguit druk maakt om iets als racisme, terwijl de gelijkheid inmiddels juist verstikkende vormen heeft aangenomen. In de huidige crisis zijn er dan maar twee opties, meent Oudemans: de haves versterken hun membraan of de have-nots ‘vermengen zich met de haves of decimeren deze’. Terwijl Europa het eigene moet bewaren en zich niet moet „vermengen met het vreemde”. Ook dat past in het denken van Schmitt, bij wie democratie geen abstract universalisme verdraagt maar alleen mogelijk is op basis van de substantiële homogeniteit van een concreet historisch volk.

Dit brengt Oudemans voluit in troebel vaarwater. Sociaal darwinisme, ontzag voor een nietsontziende natuur en de cultus van het eigen volk zijn bekende thema’s uit het extreem-rechtse en zelfs fascistische denken. Toch zal ook het fascisme, met zijn dromen van een nieuwe beschaving en een Super-mens, voor Oudemans nog een uiting zijn van utopisch humanisme en maakbaarheidsdenken. Zelf koestert hij de sluimerende hoop dat het ‘echte’ Europa nog zal ontkiemen in tijden van nood. Dat is dan Heideggers Europa van ‘buitensporige’ Griekse en Duitse wijsgeren, die de leemte tussen onmenselijke en menselijke natuur diep doordachten. Het leest als een thermodynamische rechtvaardiging van eurocentrisch superioriteitsgeloof.

Germania

In eerder werk wond Oudemans al geen doekjes om zijn liefde voor Germania. In Echte Filosofie schreef hij dat het lang zinvol was – nu dus niet meer – dat Duitse denkers zich verzetten tegen het oprukken van de inmiddels oppermachtige wetenschap. In een essay met de provocerende titel Ich bin ein Germane (De Revisor, 2008) zette hij Germaanse talen af tegen het abstracte universalisme dat inherent zou zijn aan de Romaanse.En Moeder Natuur eindigt zo: ‘Ik ben geboren op die plek van de aarde […] in het Nederlandse land, binnen de Nederlandse taal. Daarin zal ik sterven.’ Hij moet het, zoals de rijdende rechter vroeger zei, ‘ermee doen’

In het erudiete From Darwin to Derrida tapt de Amerikaanse bioloog David Haig heel andere wijn uit hetzelfde vaatje: darwinisme en genetica. In het voetspoor van de filosoof Daniel Dennett wil hij laten zien hoe er wel degelijk vooruitgang en doelgerichtheid bestaan in de natuur, zij het dat we die pas kunnen vaststellen met terugwerkende kracht.

Natuurlijke selectie heeft ook bij Haig geen vooropgezet doel, maar de natuur kent wel een ‘retrospectieve intentionaliteit’. In terugblik dus, maar daarom nog niet minder reëel. Genen en memen zijn teksten (vandaar de verwijzing naar Derrida, van wie de slagzin stamt dat er niks is ‘buiten de tekst’) die zichzelf en elkaar leren interpreteren en zo het leven betekenis geven, of beter: betekenissen. Doelen waren er eerst niet – maar nu wel.

Kopje kleiner

Ook Haig is dus tegendraads, maar in omgekeerde richting als Oudemans: de Groningse Germaan maakt filosofie een kopje kleiner met behulp van de wetenschap; de Amerikaanse bioloog pleit juist voor integratie van biologie , filosofie en andere geesteswetenschappen. Hij geeft het goede voorbeeld en maakt in zijn boek evenzeer gebruik van complexe genetische codes als van filosofie, romans en literaire kritiek. Zijn rode draad is een pleidooi voor eerherstel van het aristotelische begrip teleologie (doelgerichtheid), dat in de biologie gaandeweg taboe is verklaard. Onbeschroomd neemt hij zelfs het woordje soul in de mond, ook in aristotelische zin, als de menselijke vorm die de stof eenheid en leven geeft.

Zo lijkt Haig in de buurt te komen van intelligent design, het semi-religieuze idee dat het universum is ingericht op betekenis en bewustzijn. Maar bij hem vind je geen ontwerp en ook geen ontwerper. Dat neemt niet weg dat het ontstaan van een wereld vol betekenis geen blind toeval is of een schitterend ongeluk. Het moest er een keer van komen, plat gezegd.

Oudemans zal daar niet van onder de indruk zijn. In Moeder Natuur kapittelt hij Haigs voorbeeld Dennett als een naïeve optimist, die de natuur ziet als een handige ‘knutselmoeder’, een ‘nogal domme vervangster van de aloude godheid’. Dat miskent volgens hem ‘de kosten van alle mislukkingen’, het verlies waar de natuur helemaal niet om maalt.

Pubers op leeftijd

Toch blijkt ook zijn hardheid hier grenzen te hebben. Want waarom zouden die mislukkingen hem iets kunnen schelen? Oudemans wijst op het contrast tussen onwetende dieren en ‘menselijke pubers’ die ‘vertwijfeld kunnen staren naar de kale peertjes boven hun eenzame bedden’. De formulering riekt naar leedvermaak, maar er spreekt ontgoocheling uit. Ook Oudemans staart, als een puber op leeftijd, naar het wijkende plafond van zijn Germaanse Europa. Ook hij treurt om een uitdovende vuurpijl, en hij weet het.

In leesbaarheid wint Oudemans het op afstand van Haig, wiens vuistdikke pil door de complexe biologische excursies en betoogtrant voor een leek taaie kost is, bij vlagen zelfs onmogelijk door te ploegen. Dit is geen boek voor een groot publiek dat op de hoogte wil blijven.

Maar als we deze boeken volgens hun eigen uitgangspunten darwinistisch opvatten, als memen die zich willen repliceren, dan geef ik – al is het maar met vier ballen in een krant – aan het taaie, maar inspirerende werk van Haig veruit de voorkeur boven het onheilspellende schoolboek van Oudemans. Aan betekenis, hoe betrekkelijk ook, heb je uiteindelijk meer dan aan grimmig nihilisme – en dat is niet voor niets.

Een versie van

dit artikel

verscheen ook in


NRC Handelsblad
van 22 mei 2020

Een versie van

dit artikel

verscheen ook in


nrc.next
van 22 mei 2020

 
Lees Meer