Tussen de golven is er de moeheid

Tussen de golven is er de moeheid

augustus 8, 2020 0 Door admin

Toen de ziekenhuizen leeg liepen en de kroegen weer vol, toen het applaus van de samenleving verstomde en de politiek de lonen niet wilde verhogen, toen de adrenaline afnam en de werkdagen overzichtelijker werden, toen resteerde voor duizenden zorgmedewerkers de vermoeidheid.

Wekenlang stonden ze vooraan in de strijd tegen corona, door de snel toestromende, groeiende aantallen patiënten op de intensive cares te verzorgen, of juist ouderen in verpleeghuizen. Door van de ene op de andere dag op een heel andere afdeling bij te springen. Door extra diensten te gaan werken. Op adrenaline hielden ze de zorg in stand.

Vorige week verdubbelde het aantal ziekenhuisopnames – van 23 naar 44. Donderdag lagen er 30 patiënten met corona op de intensive cares, ook een verdubbeling ten opzichte van een week eerder.

Maar van de gevreesde tweede golf is nog geen sprake, zeggen medici, daarvoor zijn de aantallen te overzichtelijk. En bovendien: artsen en verpleegkundigen weten beter dan vijf maanden geleden, toen er ineens een hoos aan IC-patiënten binnenkwam met onduidelijke en onverklaarbare verschijnselen, hoe ze mensen kunnen behandelen. Ze verwachten dat de druk op de ziekenhuizen daarom dit keer minder hoog zal zijn – áls de tweede golf al komt.

Terwijl veel Nederlanders ‘klaar’ zijn met corona en de maatregelen een ergerlijke beperking van hun zomervakantie vinden, puffen duizenden zorgmedewerkers nog uit van de meest intensieve werkmaanden van hun leven. Ze denken terug aan de eenzame dood van patiënten, zonder familie, zonder liefde. Velen van hen zijn nog zó uitgeput van de eerste golf, dat het eigenlijk onverantwoord zou zijn om ze bij een tweede golf te laten werken, waarschuwde psycholoog Annemiek Nooteboom vorige week in NRC.

Het ziekteverzuim in ziekenhuizen is hoger dan normaal; in het Tilburgse Elisabeth TweeSteden Ziekenhuis is het zelfs verdubbeld naar 10 procent. Anderen zijn niet ziek, maar wel moe. Soms nog ná hun vakantie. En sommigen denken: de tweede golf kunnen we óók wel weer aan. We moeten wel.

Dit zijn hun verhalen.

Karina Hustin ‘Ik heb gezegd bij een volgende ‘golf’ weer bij te springen’

“>

IC-verpleegkundige Karina Hustin. Foto Merlin Daleman

Karina Hustin (56) viel in als IC-verpleegkundige in het Jeroen Bosch Ziekenhuis: „Het is frustrerend om te zien dat jongeren feesten en geen afstand houden. Het liefst zou ik hen mee terug in de tijd nemen, naar wat ik heb gezien op de intensive care. Hoe moeders van mijn leeftijd aan de beademing liggen, kinderen die machteloos aan het bed staan. Hoe een sportieve vijftiger zo snel achteruit ging dat we met z’n vijven naast zijn bed klaar stonden om hem te beademen, terwijl hij via Facetime een – mogelijk laatste – gesprek met zijn vrouw voerde. ‘Schat, ik hou van jou’, kreeg hij eruit. Adem voor veel meer had hij niet. Hij kwam na vier weken weer bij, maar ik heb ook veel vijftigers het niet zien halen.

„Het was een surreële wereld, zo’n intensive care. Collega’s hadden naamplaatjes op, omdat we elkaar anders nauwelijks herkenden. We hadden spatbrillen, soms duikbrillen, die besloegen als het warm was. Ik kon niet even naar de wc, of alle beschermende kleding moest weer uit. Patiënten waren anoniemer doordat ze op hun buik sliepen. Maar ook doordat ze nauwelijks herkenbaar waren: door de zwaartekracht zakt vocht naar hun lippen, ogen en wangen. Als we patiënten omdraaiden, schrok de familie.

„De dag, avond- en nachtdiensten op de IC zijn voor mij te onregelmatig. Door mijn nieuwe baan in het Jeroen Bosch Ziekenhuis heb ik goed kunnen uitrusten. Ik heb aangegeven bij een volgende ‘golf’ weer bij te springen op de intensive care. En met de oplopende cijfers nu vind ik het wel heel spannend worden.”

Prabath Nanayakkara ‘Je rilt een beetje, zei een verpleegkundige tegen me’

“>


Prabath Nanayakkara (56), hoofd sectie acute interne geneeskunde bij Amsterdam UMC: „Je rilt een beetje. Begin maart zei een verpleegkundige dat tegen me. Te weinig gegeten, dacht ik. Ik hoestte niet, had geen loopneus. Even later wees een andere verpleegkundige me ook op het rillen. Dit kan niet kloppen, dacht ik. Ik ben naar huis gereden en heb om een test gevraagd. Corona maakte me kortademig, ik kreeg een druk op de borst. Buren hielpen door eten voor de deur te zetten. Na acht dagen stond ik weer op de afdeling. Mijn conditie was weg, maar ik gaf niet toe aan de vermoeidheid. Dat wilde ik niet: mijn collega’s waren zó hard aan het werk.

„Ik verbaas me erg over jongeren die met elkaar feesten. Wat zijn drie, of zes maanden van je leven? Ze hebben misschien nog zestig jaar te gaan. Ik groeide op in Sri Lanka. Daar konden we, vanwege aanslagen en burgeroorlog, soms jaren niet naar school. Thuisblijven is een klein offer. Wij hebben nog een zeer luxueuze lockdown, vergeleken met de situatie in landen als India.

„De cijfers nemen weer toe. Of het een tweede golf is, weet ik niet. Ik denk niet dat het zo erg wordt als de eerste weken. Maar als het nodig is, dan gaan we weer volop. Tegelijk maak ik me zorgen, vooral over verpleegkundigen. Voor hen is het emotioneler geweest. Zij bleven de hele dag bij zeer zieke coronapatiënten, terwijl ze met iPads de familie informeerden. Sommigen hebben er nog last van, enkelen zijn ander werk gaan doen. Er liep een heel team aan psychologen rond om deze mensen te ondersteunen. Het is gewoon heel heftig geweest.”

Michael Barnas ‘Ik heb een coach genomen om te praten over wat er gebeurd is’

“>


Michael Barnas (59), internist-intensivist bij ziekenhuis Amstelland in Amstelveen: „Nu is er rust, een onwerkelijke stilte op de intensive care. Toch is de last nog niet helemaal van mijn schouders. Bij verpleegkundigen zie ik hetzelfde, sommigen uit het team zijn vertrokken omdat Covid-19 te veel is geweest. Ik weet dat we het weer zouden kunnen als het moet, maar er is bij ons echt iets veranderd.

„Ik herinner me nog goed hoe het begon: met een zinderende spanning. We wisten, uit Brabant, dat er een tsunami aan zat te komen. Het was alsof we de zee zagen terugtrekken. En toen lag in het weekend van 21 maart in één keer heel onze intensive care vol met beademde patiënten. Ik kreeg een adrenalinestoot. De intensive care voelde als oorlogsgebied.

„De buitenwereld was een ander universum. Wij liepen op de afdeling in maanpakken en waren constant mensen aan het beademen. Als ik naar huis reed na een nachtdienst, zag ik mensen bij elkaar op de kade zitten alsof het vakantie was. Ze snapten niet dat ik een nacht bezig was geweest om iemand van 35 jaar in leven te houden. Ik voelde soms een mix van verdriet en boosheid naar de buitenwereld. Ik heb een coach genomen om te praten over wat er gebeurd is en we hebben ook stilgestaan bij dat gevoel van onmacht.

„De voorjaarsvakantie heb ik vanwege de crisis overgeslagen. Ik heb een vakantie gepland voor in september. Soms grap ik over het risico dat het opnieuw niet doorgaat, maar ik hoop wel echt dat ik mijn rust nog kan nemen.”

Christel Schilders-Mols ‘Je móést werken, je móést er staan. Je cijferde jezelf weg’

“>

IC-verpleegkundige Christel Schilders-Mols. Foto Merlin Daleman

Christel Schilders-Mols (51), IC-verpleegkundige Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis Tilburg: „Ik heb nu vakantie, daar was ik enorm aan toe. We hebben heel lang érg hard doorgewerkt. Regelmatig denk ik terug aan de nacht half maart dat er ineens een treintje van drie patiënten de IC op gereden werd, drie bedden achter elkaar. Ze moesten alle drie snel geïntubeerd worden. Normaal heb je misschien één patiënt per nacht bij wie dat moet.

„Uiteindelijk heb ik tweeënhalve maand lang weken van minstens 45 uur gewerkt, terwijl ik normaal 28 uur werk. Het was werken, eten, slapen, werken. Door de lockdown was er verder toch niks te doen. Dus je ging maar door. Het voelde alsof je onuitputbaar moest zijn. Je móést blijven werken. Je móést er staan voor je medemensen. Je cijferde jezelf weg, je deed het.

„Ik heb vooral nachtdiensten gewerkt, vijftien per maand. Want als de roosters ingedeeld werden, bleven die vaak over. Ik dacht: als ik het niet doe, wie dan wel? Die patiënten hebben ’s nachts toch ook zorg nodig. Dat heeft me bijna de kop gekost, want nachtdiensten halen je hele ritme overhoop. Het was loodzwaar.

„Het ergste in die periode was het gevoel van machteloosheid. Je wilt de familie van patiënten steunen, maar het kan niet, ze mogen er niet bij. Die patiënten waren zo ontzettend alleen, dat ging tegen onze natuur als verpleegkundigen in. Ik ben een sterke persoonlijkheid, je moet tegen de IC kunnen. Maar dit was heftig.

„Daarom voelt het ook alsof de politiek ons nu in de steek laat. We hebben zo hard gewerkt, maar waar blijft de waardering? We zijn geen Florence Nightingale meer, maar goed opgeleide professionals. We staan altijd klaar, in alle weekenden en op alle feestdagen. Betáál ons daar ook naar. Sommige IC-verpleegkundigen, hier bij ons de afgelopen tijd alleen al acht van de honderdvijftig, vertrekken daarom. Veel andere collega’s hebben zoiets van: een tweede crisis kunnen we niet meer aan, dan gaan we niet weer zó diep. Of dat zo is weet ik niet.”

Lisa Bos ‘Niemand is genoeg bekomen van de eerste golf voor een tweede’

“>


Lisa Bos (28), verpleegkundige op de intensive care in Maastricht: „Dit is voor iedereen heftig, maar ik had mijn eerste jaar als volleerd intensivecareverpleegkundige. Verpleegkundigen van andere afdelingen kwamen helpen en moest ik mede aansturen. Dat was spannend, soms wist ik het zelf ook nog niet.

„Een leuke en amicale collega, mijn leeftijd, intubeerde ook coronapatiënten – tot hij van de afdeling verdween. Hij had het virus opgelopen. Thuis verslechterde hij vanwege zijn astma zo erg dat hij als patiënt naar onze IC kwam. Ik zag hem liggen, aan de beademing. Mijn eigen kwetsbaarheid kwam toen ook hard binnen. Ook andere momenten zie ik nog haarscherp. Een jonge man, 45 dacht ik, haalde het niet. Ik heb zijn vrouw en kinderen begeleid en ze alleen met hem gelaten toen we het beademingsapparaat stopten. Ik dacht: wat gebeurt hier allemaal?

„Thuis op de bank liggen is prima om even te rusten, maar niet te lang, leerde ik. Dan gaan de scènes van overdag weer door je hoofd spoken. Lange wandelingen met de hond hielpen. Leeftijdgenoten hoorde ik klagen over het thuiswerken. Dan dacht ik: als ze eens weten wat wij aan het doen zijn.

„Niemand is denk ik genoeg bekomen van de eerste golf voor een tweede. Maar als die komt, gaan we op de automatische piloot en doen we het gewoon.”

Arné van Hees ‘Ik denk nu terug aan de families van de patiënten’

“>


Arné van Hees (52), beademingsspecialist intensive care Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis: „Ik ben gespecialiseerd in het beademen van patiënten. Toen de IC’s opgeschaald werden, moesten er meer beademingsapparaten komen. Ik heb ze gezocht en getest, en als ze goed waren, maakte ik werkinstructies voor de collega’s. Vaak werd ik ’s nachts wakker: ‘oh ja, dit moet ik nog doen, en dat…’ Thuis hadden ze daarom weinig aan me, ik was zo moe. Middenin de crisis heb ik een weekje vrij genomen, want ik moest echt mijn hoofd even leegmaken.

„Vooral toen het rustiger werd met patiënten merkte ik de vermoeidheid. Toen ging ik ook meer nadenken over wat ik had meegemaakt. Als ik nu terugdenk aan die periode, denk ik vooral aan de families van patiënten die er niet kon zijn. De telefoongesprekken met familieleden waren hartverscheurend. Ze zeiden soms: ik zie mijn man misschien nooit meer. Dat knaagt. Die telefoontjes waren misschien wel de laatste keer dat ze elkaar spraken.

„Zoals het ook pijnlijk is dat er bij stervenden nu maar drie familieleden mogen zijn. Oké, en wat als ze vier kinderen hebben? Ga maar eens tegen kinderen zeggen dat ze er niet bij mogen zijn.

„We snappen nu iets beter hoe coronapatiënten te beademen. Dat zal een tweede golf denk ik minder hectisch maken.”

Rowan Marijnissen ‘Waarom hebben zoveel mensen lak aan ons?’

“>

IC-verpleegkundige Rowan Marijnissen. Foto Merlin Daleman

Rowan Marijnissen (30), IC-verpleegkundige Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis in Tilburg, opleider, voorzitter van beroepsvereniging V&VN IC: „Maandenlang heb ik alleen maar gewerkt en geslapen. Als ik niet in het ziekenhuis was, deed ik als voorzitter veel werk. Het is mijn taak om de stem van de IC-verpleegkundigen te zijn, maar dat kost wel energie. Als politici bijvoorbeeld roepen dat er 3.000 IC-bedden moeten komen, dan moet ik daarop reageren.

„Ik heb nog amper tijd gehad om bij te tanken. Toen het rustiger werd met patiënten, heb ik vanuit m’n rol als voorzitter meegeschreven aan het opschalingsplan voor de IC’s.

„Het is nog steeds hectisch. Niet met coronapatiënten, maar wel met het voorbereiden voor als er meer patiënten komen. Ik ben een weekje vrij geweest, toen zou ik de – afgelaste – Nijmeegse Vierdaagse gaan lopen. Maar ik ben nog steeds hartstikke moe. Volgende week ben ik gelukkig weer vrij, ik heb het zó nodig. Ik moet me echt even opladen. Eigenlijk zou ik nu trainen voor de marathons van Berlijn en Rotterdam, maar ik heb afgezegd [nu zijn ze afgelast, red.]. M’n lichaam kan het gewoon niet aan.

„De vermoeidheid die ik heb, zie ik bij veel collega’s. Iedereen is blij als ze met vakantie kunnen. Corona leeft nog enorm. Als er nu een coronapatiënt binnenkomt, zie je mensen soms zuchten: gáán we weer. Niet vanwege de patiënt, maar omdat je dan weer al die beschermende kleding moet aandoen. Je hoort wel van mensen dat ze het zo moeilijk vinden om in de trein een mondkapje te dragen, dan denk ik echt: je hebt geen idee. We hebben er máánden zo bijgelopen en nu is een uurtje voor jou te zwaar? Net als met die ‘schijt aan corona’-feestjes, of mensen die de regels in de horeca negeren. Waarom hebben zoveel mensen lak aan ons? Het is niet dat we zielig zijn, maar het is wel een gebrek aan respect.

„Ik had gehoopt dat door deze crisis ons beroep meer gewaardeerd zou worden. Dat valt nog tegen. Ja, we krijgen een bonus van 1.000 euro. En dan? Het is mooi meegenomen, maar we willen vooral structureel zeggenschap en betere lonen. Ik heb er wel vertrouwen in dat het goed komt. Maar het kost verrekte veel energie.”

Kim de Ruijter ‘Thuis zette ik de tv aan en dan ging het over corona, over óns’

“>


Kim de Ruijter (34), IC-verpleegkundige Isala Ziekenhuis Zwolle: „Ik ben echt aan vakantie toe. Vanaf het begin van de crisis in maart heb ik gewerkt, een vakantie in april kon niet doorgaan. Het was in die periode enorm druk. Een bizarre tijd, want inééns was er een vloedgolf van coronapatiënten. Een week of vier was het zo druk dat als je klaar was met de ene patiënt, de volgende alweer klaar stond. Het werk was ook zwaarder. De hele dienst had ik een masker en beschermende bril op en een jas aan, dat is warm en dus fysiek zwaar. En de patiënten die op hun buik lagen, moesten elke vier uur omgedraaid worden. Dat is een zware handeling. Je komt thuis en vóélt de vermoeidheid. In die weken was het werken, eten, slapen, en dan de volgende dag weer.

„Na een tijdje werd iedereen in het ziekenhuis coronamoe. Normaal ga je na een zware werkdag de deur uit en dan is het afgesloten. Nu zette je de televisie aan en dan ging het over corona, over de intensive cares, over óns. Je werd overvallen door wat er in de wereld gebeurde.

„Het heftigste aan die periode was om bij hele intieme momenten van patiënten en hun familie te zijn. Dan kwam zo’n patiënt binnen die meteen geïntubeerd moest worden en de arts zei: we weten niet of je nog wakker wordt. Soms hadden ze te weinig kracht om de telefoon zelf vast te houden, dus terwijl ze het intiemste gesprek van hun leven voerden met hun familieleden, hield ik dan de telefoon vast. Dat deed iets met je. Het voelde onmachtig.

„Inmiddels is het al een tijd rustig, we hebben hier nog maar soms een coronapatiënt. Ik ben alweer goed bijgekomen van de drukte, m’n collega’s ook, er is hier geen uitval door ziekte. Daarom denk ik dat áls er een tweede golf komt, we dat wel aankunnen.

„Hopelijk komt er dan weer een lockdown, als rem op de verspreiding. Weet je, als je er middenin zit, dan hoop je dat het snel voorbij is. Maar achteraf rust je ook wel weer uit. Wel is het soms lastig om te zien dat mensen met grote groepen bepaalde plekken opzoeken, dicht op elkaar, wetende dat ze het niet moeten doen. Dan denk ik: hier heb ik niet zo hard voor gewerkt.”

Mark Martens ‘De nasleep van het virus is venijnig’

“>


Mark Martens (39), arts palliatieve geneeskunde bij verschillende verpleeghuizen en hospices van Zuyderland in Limburg: „Nu alles steeds normaler wordt, voel ik de vermoeidheid van de afgelopen periode. Hoewel het ook de nasleep van Covid-19 kan zijn. Ik ben jong en had deze impact van het virus niet verwacht. Begin maart liep ik het op, hoe weet ik niet. Mijn partner werd ook ziek. Als jong stel met een redelijk sociaal netwerk was het toch een dagtaak om elke keer boodschappen aan de deur te krijgen. Dat moet voor ouderen nog veel lastiger zijn.

„De lange nasleep van het virus is venijnig. In het begin moest ik na een teamoverleg van twee uur een uur lang op adem komen. Dat trok weg, mede door adrenaline. Ik werkte in maart en april zes of zeven dagen per week, doordeweeks twaalf uur per dag. Na werk lag ik als een dood vogeltje op de bank.

„Als arts ben ik gewend richting te kunnen geven aan de ziekte van mensen. Nu gleden mensen vaak binnen korte tijd door mijn vingers weg. Sommigen herstelden weliswaar van de ziekte, maar waren er daarna zo slecht aan toe dat ze overleden aan de nasleep van Covid-19. Het gevoel van machteloosheid, het moeten afwachten, dat vond ik lastig.

„Wat erg op verpleegkundigen drukte, waren de omstandigheden waarin mensen overleden. Het bezoek zat ingepakt. Mondmaskers, spatbrillen, schorten. Een persoonlijk, warm levenseinde is het niet. De naasten waren vaak zelf oud en kwetsbaar. Soms durfden broers, zussen of partners geen afscheid te nemen. Het personeel stak er ontzettend veel energie in juist deze mensen niet alleen te laten. Erbij te zitten, ze gerust te stellen.

„Het aantal nieuwe besmettingen houden we dagelijks in de gaten. Gelukkig blijven hier de cijfers laag. De volgende keer wordt het anders, verwacht ik, omdat we nu draaiboeken, genoeg testcapaciteit en meteen beschermende kleding hebben. Daarom hoop ik de crisis straks op vakantie ook een beetje los te kunnen laten.”

Carolien de Bont ‘We vragen ons af wat er op ons afkomt’

“>

IC-verpleegkundige Carolien de Bont. Foto Merlin Daleman

Carolien de Bont (39), IC-verpleegkundige Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis, Tilburg: „Met mij gaat het wel goed. Ik ben een weekje naar Terschelling geweest en ben uitgerust. De coronacrisis was heftig, in een mum van tijd veranderde mijn hele leven. Ik werk al ruim vijftien jaar als IC-verpleegkundige en switchte vlak voor de crisis van locatie. En toen brak het virus uit.

„Normaal werk ik 24 uur per week, want ik ben een alleenstaande moeder van twee. Maar nu voelde ik me verantwoordelijk om meer te werken. Het was zoeken naar een balans tussen werk en thuis.

„Als IC-verpleegkundige ben ik wel gewend dat je met heftige situaties te maken hebt, maar dit was heftiger. Want het waren zóveel patiënten, die eigenlijk allemaal hetzelfde waren: heel ziek. Dat maakte het werk zwaarder. En het werk was onzeker, omdat patiënten heel instabiel waren. Sommigen waren gezond en actief, maar doodziek. Dat was beangstigend, ik dacht: ik kan het dus ook zomaar krijgen.

„Die onzekerheid was moeilijk. Het voelde soms machteloos. Ik denk nog regelmatig terug aan een patiënt die overleden was, de nabestaanden zaten ernaast en zeiden: we mogen hem niet aanraken hè? Dat ze zó afscheid moesten nemen, dat vergeet ik niet.

„Zulke dingen bespraken we onderling veel. Gelukkig zat daar vaak ook een psycholoog bij. Sommige collega’s hebben het er nog moeilijk mee of zitten ziek thuis. Er is nu ook weer wat onrust, door de oplopende cijfers over besmettingen en opnames. We vragen ons af wat er op ons afkomt.

„De vorige keer dachten we ook dat het zou meevallen. Het kan zó omslaan. Met die angst zit ik nu ook wel een beetje.

„Toch maak ik me over een eventuele tweede golf niet zo’n zorgen. Ik heb gezien hoe goed we kunnen samenwerken in het ziekenhuis. Als we dat weer doen, komt het wel goed. Schouders eronder, we gaan ervoor.”

Margot van Mol ‘Over sommige collega’s maak ik me wel zorgen’

“>


Margot van Mol, onderzoeker en ic-verpleegkundige Erasmus MC Rotterdam: „Ik werk al dertig jaar op de intensive care van het Erasmus, de laatste jaren als onderzoeker en ondersteuner van naasten. Toen er verpleegkundigen nodig waren om bij te springen, had ik geen enkele twijfel: als jullie me nodig hebben, zei ik, dan laat ik alles uit handen vallen om te komen werken. Dat bleek al gauw het geval.

„De eerste dag stapte ik in m’n auto en vroeg ik me af of ik het nog wel zou kunnen. En wat zou me te wachten staan? Maar na twee dagen merkte ik dat het is als fietsen, je verleert het niet. Maar die mensen waren zó ziek en gingen soms zó snel achteruit, dat was ik niet gewend. Je kon er bijna niet op inspelen. Dat gaf soms een machteloos gevoel.

„Met mij gaat het goed. Ik heb maar anderhalve week bijgesprongen op de intensive care en hoewel dat zwaar werk was, gaf het ook voldoening. En ik krijg energie van alle nieuwe onderzoeken die we nu kunnen opstarten, bijvoorbeeld over het ondersteunen van de naasten van ic-patiënten. Het is mooi om daar vorm aan te geven.

„Maar over sommige collega’s maak ik me wel zorgen. Die hebben maandenlang vól op hun adrenaline gewerkt, stonden dienst na dienst aan het bed van patiënten. Ik snap het heel goed als ze zeggen dat ze het bij een tweede coronagolf niet nog eens willen of aankunnen. Het was mooi dat er vanuit de samenleving zoveel waardering voor ons werk was, maar waar blijft de politiek? Er móet een zak geld bij. Niet alleen om de lonen te verhogen, ook om meer te mensen aan te kunnen nemen. Alleen dan kan de ic-capaciteit uitgebreid worden, zoals de politiek van ons vraagt.

„Het mooie is dat verpleegkundigen nu zelf opstaan. We mopperen minder en willen meepraten, ook over hoe we een nieuwe golf van patiënten aankunnen. Onze beroepsgroep is door deze crisis eindelijk zichtbaar geworden.”

 
Lees Meer